header980x275

Gerechtelijke fase

De juridische fase start door het opstellen en versturen van een dagvaarding of conclusie van eis. 
In de dagvaarding wordt de debiteur opgeroepen om op een bepaalde datum te verschijnen voor  
rechter. Hierin staat ook om welke vordering het gaat en waarom de debiteur moet betalen. Ook 
staat in de dagvaarding vermeld of en zo ja hoeveel schade de schuldeiser heeft geleden om de 
vordering binnen te halen. Als laatste staat in de dagvaarding het verzoek om de debiteur te 
veroordelen tot betaling van de proceskosten.
De debiteur kan reageren op de dagvaarding door schriftelijk aan de rechter te laten weten waarom
hij van mening is dat hij de vordering niet hoeft te betalen. Dat heet conclusie van antwoord.
vervolgens beoordeelt de rechter of de zaak een zitting vereist. Meestal kan een zaak schriftelijk
worden afgedaan. Dan kan de schuldeiser op de conclusie van antwoord reageren en met een
conclusie van Repliek, waarin de gedaagde op zijn beurt weer kan reageren met een conclusie
van Dupliek. Reageert de debiteur in het geheel niet en komt hij ook niet op de zitting, dan zal de
rechter de debiteur bij verstek veroordelen. Betaalt de debiteur na de uitspraak van de rechter nog
niet, dan volgt dwangbetaling door beslaglegging of executie. Bij beslaglegging kunt u denken aan
loonbeslag, bankbeslag of een beslag op (on)roerende zaken. In de periode waarin geprobeerd
wordt de vordering te innen, bestaat een onderscheid tussen conservatoir en executoriaal beslag.
Conservatoir beslag is preventief en vindt niet altijd plaats. Als het plaatsvindt, is dat tegelijk met
de dagvaarding. Zodra de veroordeling heeft plaatsgevonden wordt het conservatoir beslag een
executoriaal beslag. Bij executortaal beslag is er dus al een gerechtelijke procedure geweest.
De uitslag hiervan luidde: betalen.
Leidt ook beslaglegging niet tot betaling, dan gaat de deurwaarder over tot executieverkoop. Dat
betekent, dat de deurwaarder namens de schuldeiser de in beslaggenomen zaken in het openbaar
verkoopt. Zo'n verkoop heeft alleen zin als de debiteur geld of andere bezittingen heeft, zoals
bijvoorbeeld een auto of een eigen huis, die voldoende opbrengen om de vordering van de
schuldeiser te betalen.